Eenzaamheid genetisch

Onder anderen Gonneke Willemsen en Dorret Boomsma hebben over de genetische component van eenzaamheid gepubliceerd. Uit onderzoek bij tweelingen blijkt dat eenzaamheid inderdaad een genetische component heeft.

Wat dit nu precies betekent is lastig vast te stellen en hangt samen met wat je onder eenzaamheid verstaat. Als je eenzaamheid alleen beschouwt als een signaal dat je ervaart als jouw behoefte aan menselijk contact niet wordt bevredigd, is die het vrij simpel. Het gaat dan om jouw persoonlijke maat. Dat je persoonlijke behoefte  genetisch bepaald is valt best te accepteren, en waarschijnlijk ook wel te meten.

De een voelt pijn intenser dan de ander. De een voelt eenzaamheid intenser dan de ander. In beide gevallen is het zaak de onderliggende oorzaak op te sporen en zo mogelijk weg te nemen.

Beschouw je eenzaamheid als een situatie waarin iemand niet die contacten heeft die zij of hij zou wensen, dan komen er opeens heel andere aspecten naar voren, die allemaal een genetische component kunnen hebben. Naast de ‘eenzaamheidsdrempel’ kun je je voorstellen dat ook de manier van omgaan met het leven, een algemene tendens om van het leven meer te verwachten dan redelijk is, het vermogen om af te wegen wat je zou wensen en je wensen in relatie te zien tot wat je hebt, allemaal meetellen. Al die dingen hebben waarschijnlijk ook een genetische component.

Maar goed, laten we ervan uitgaan dat inderdaad ‘eenzaamheid’, wat je er ook exact onder verstaat, voor 48% genetisch is. Dat betekent nog altijd dat het voor 52% bepaalt wordt door je opvoeding, je cultuur, je omgeving en door je eigen handelen. Bovendien is er niet echt een sprake van een tegenstelling tussen genetische en omgevingsfactoren, ze werken namelijk continue op elkaar in.

Voor iemand die zich eenzaam voelt betekent het in elk geval dat er werk aan de winkel is. Je genen kunnen dan wel tegenwerken, jij bent uiteindelijk de baas.