Eenzaamheid wordt vaak verward met sociaal isolement of met alleen zijn.
Eenzaamheid is een fysiek signaal: een seintje van je lichaam dat waarschuwt voor het feit dat jouw verbinding met anderen niet is wat ie zou moeten zijn. Van eenzaamheid is aangetoond dat het eenzelfde ervaring oplevert als het ervaren van pijn.
Sociaal isolement is het hebben van een (zeer) klein netwerk, waarbij met zich wel of niet ook eenzaam kan voelen. Wat een klein netwerk is, of wanneer het groot genoeg is, daar is geen algemene overeenstemming over. Soms wordt onderzocht hoe het aantal betekenisvolle contacten is, in ander onderzoek wordt weer de nadruk gelegd op eenzaamheid, dus op hoe mensen zelf hun leven ervaren. Een zo’n opvatting is:
“Iemand is sociaal geïsoleerd is als er een onaanvaardbaar of ongewenst verschil bestaat tussen aan de ene kant de kwaliteit en de omvang van het sociale netwerk dat iemand heeft, en aan de andere kant de behoefte aan contacten die iemand heeft. Gevoelens van eenzaamheid en uitsluiting zijn een belangrijke indicator voor sociaal isolement.” (Definitie van De Jong-Gierveld)
Alleen zijn is niets meer dan dat: een situatie. Soms is het fijn alleen te zijn, soms is het een kwelling. Ieder mens heeft behoefte zowel ‘onder de mensen’ te zijn als zich terug te kunnen trekken. Die behoeften verschillen van mens tot mens.

Alleen leven (vaak alleen zijn) is wel een risicofactor gebleken voor eenzaamheid: de kans dat een alleenstaande zich eenzaam voelt is groter dan van iemand die met een ander het leven deelt.